Woordenlijst · Analyse

Het Plaatje Dat Laat Zien via Wie een Ploeg Echt Speelt

Een passmap zet elke speler op zijn gemiddelde positie en verbindt spelers op basis van hoe vaak ze elkaar aanspelen. Zo wordt hij gemaakt en zo lees je hem.

Eleven player nodes joined by lines of different thickness, with the two most connected players highlighted in red.
Beeld: Touchline Notes

Een passmap, of passnetwerk, is een schema van het balbezit van een ploeg waarin elke speler een knooppunt is op zijn gemiddelde positie, en elke lijn tussen twee spelers dikker wordt getekend naarmate er meer passes tussen hen heen en weer gingen. Elf cirkels op een veld, een web van lijnen ertussen, en binnen een paar seconden zie je waar de bal echt naartoe ging. Dat is vaak niet waar het opstellingsformulier hem verwachtte. Let op: het woord passmap wordt ook gebruikt voor een plot van losse passes. Hier gaat het om de netwerkversie, in het Engels pass network.

De bouw is simpel. Neem elke aangekomen pass van een ploeg en noteer wie hem gaf, wie hem kreeg en waar. Het knooppunt van een speler ligt op de gemiddelde locatie van de passes die hij gaf en ontving. De lijn tussen twee spelers wordt geschaald naar het aantal passes tussen hen, en de meeste versies laten duo's onder een kleine drempel weg, zodat het beeld niet dichtslibt met eenmalige combinaties. De grootte van het knooppunt geeft meestal aan bij hoeveel passes een speler betrokken was, al schalen sommige leveranciers hem met een dreigingsmaat zoals expected threat.

Bijna elke serieuze versie stopt met tellen bij de eerste wissel. Een netwerk met twaalf of dertien knooppunten is een plaatje van twee overlappende elftallen, en een invaller die een kwartier speelde, zou op een gemiddelde belanden dat op een handvol balcontacten rust. Afkappen bij de eerste wissel beperkt de steekproef tot elf spelers die dezelfde periode samen op het veld stonden. Het betekent ook dat een netwerk van een wedstrijd met een blessure in de tiende minuut je heel weinig vertelt.

Wat mensen uit de vorm aflezen, is vooral structuur. Dikke lijnen over de ene flank en dunne over de andere laten zien via welke kant de ploeg opbouwde, of dat nu het plan was of kwam doordat de tegenstander de andere route dichtzette. Een knooppunt waar bijna geen lijnen aan vastzitten, is een geïsoleerde speler, meestal een spits die het middenveld niet kon vinden of een buitenspeler die wachtte op een pass die nooit kwam. De speler met dikke lijnen in alle richtingen is het scharnier, degene via wie alles liep. Waar de backs staan, vertelt je hoe hoog de ploeg doorschoof. Niets hiervan zit verstopt in de data, maar het netwerk maakt het leesbaar op een manier die een tabel met passaantallen niet haalt.

Omdat het plaatje een netwerk in de wiskundige zin is, lenen analisten maten uit de netwerkwetenschap. Degree centrality is simpelweg het aantal verbindingen van een knooppunt, in voetbaltermen met hoeveel ploeggenoten een speler passes uitwisselde. Betweenness centrality vraagt hoe vaak een speler op de kortste passroute tussen twee andere spelers ligt, een redelijke benadering van hoe afhankelijk de ploeg van hem is om de bal van de ene zone naar de andere te krijgen. Clustering meet of de ploeggenoten van een speler ook elkaar aanspelen. Een studie naar het Barcelona van Guardiola, in 2019 gepubliceerd in Scientific Reports, vergeleek de netwerken van de ploeg over een seizoen met die van haar tegenstanders in de competitie en vond verschillen in clustering, kortste padlengte en de verdeling van centraliteit over het elftal. Als beschrijving van een passgrafiek zijn deze maten eerlijk. Als uitspraak over kwaliteit zijn ze zwakker, want een ploeg kan sterk verbonden zijn en toch nergens komen.

Dat is de eerste van drie beperkingen om te onthouden. Een passmap telt passes, geen waarde. Een kort breedteballetje tussen twee centrale verdedigers en een liniedoorbrekende pass die vier verdedigers uitschakelt, tellen elk voor één in hetzelfde totaal. Precies dat gat moesten packing en progressieve acties dichten. Sommige analisten wegen de lijnen naar toegevoegde dreiging, maar de standaardversie doet dat niet.

De tweede beperking is het gemiddelde. Een buitenspeler die de helft van de wedstrijd aan de zijlijn plakt en de andere helft naar binnen trekt, wordt ergens daartussenin getekend, op een plek waar hij nooit echt stond. Een ploeg die na een tegendoelpunt van vorm veranderde, levert één netwerk op dat geen van beide vormen goed beschrijft. Gemiddelden verbergen beweging, en voetbal is vooral beweging.

De derde is richting. Een dikke lijn tussen twee spelers zegt niet welke kant de bal op ging. Tien passes van een nummer 6 naar een nummer 8 en tien passes terug zijn dezelfde lijn, en maar een deel van de tools splitst hem in twee pijlen. Een netwerk lezen als bewijs van voorwaarts spel zonder de richting te controleren, is een veelgemaakte fout.

Gelezen als wat het is, een kaart van waar het balbezit langs liep, is de passmap een goede eerste vraag en een matig eindantwoord. Hij vertelt je waar je moet kijken. Hij vertelt je niet wat je daar vindt.

Hoe lees je een passmap?

Begin bij de posities, niet bij de lijnen. De ligging van de knooppunten is de werkelijke vorm van de ploeg in balbezit voor de periode die het plaatje beslaat. Leg die naast de opstelling op papier en noteer waar de twee verschillen. Volg daarna de dikste lijnen vanaf de keeper en de centrale verdedigers naar buiten. Dat pad is de opbouwroute. Zoek een knooppunt met heel dunne of ontbrekende verbindingen, meestal een aanvaller die de ploeg niet wist te bereiken, en het knooppunt met de meeste lijnen, de speler van wie de ploeg afhankelijk was. Controleer tot slot het tijdvak dat het plaatje beslaat. Eindigt het bij een vroege wissel, dan beschrijft het een fragment van de wedstrijd en niet de wedstrijd.

Bronnen en verder lezen

  1. Explaining xGChain Passing Networks — StatsBomb (geraadpleegd op 18 Sep 2026)
  2. A network theory analysis of football strategies — Peña and Touchette, arXiv (geraadpleegd op 18 Sep 2026)